Peilschaal & doorvaarthoogte
Lees op een brug af hoeveel ruimte er nog onder de brug is — en oefen het meteen (toetsterm C.3).
Hoe hóger het water, hoe kléiner de doorvaarthoogte. Je leest het getal af waar het water de schaal raakt.
Het water STIJGT. Wordt de doorvaarthoogte groter of kleiner?
Een brug geeft de doorvaarthoogte bij het kánaalpeil (streefpeil). Staat het water hóger dan het peil, dan haal je het verschil eraf; staat het lager, dan telt het erbij.
Wat is een doorvaarthoogtemeter?
Op veel bruggen staat op de pijler een geel-zwarte schaal. Bij de waterlijn lees je af hoeveel meter ruimte er nog is tussen het water en de onderkant van de brug: de doorvaarthoogte. De cijfers lopen naar beneden op, richting het water.
Hoe lees je het af?
Kijk waar het wateroppervlak de schaal raakt en lees dat getal af. Dat is de actuele doorvaarthoogte. Vergelijk het met de hoogte van je eigen boot (met antenne, mast of opbouw!) en houd altijd wat marge aan.
- ✓ Hoe hóger het water, hoe kléiner de doorvaarthoogte.
- ✓ De cijfers lopen naar beneden op (richting het water).
- ✓ Reken met de hóógste punt van je boot — plus een veilige marge.
En de gewone peilschaal (waterpeil)?
Een peilschaal (waterpeil) laat juist zíén hoe hoog het water staat t.o.v. een vast nulpunt; daar lopen de cijfers naar bóven op. De doorvaarthoogtemeter hierboven is het spiegelbeeld: die vertelt je de vrije ruimte ónder de brug.