Klein of groot schip — en wanneer heb je een vaarbewijs nodig?
De categorieën van het BPR zijn verwarrend. Hier staat het stap voor stap, met voorbeelden.
Wanneer heb je een vaarbewijs nodig?
Je hebt een (klein) vaarbewijs nodig zodra je pleziervaartuig aan één van deze twee voorwaarden voldoet:
Geldt voor pleziervaartuigen tot 25 meter. Met het Klein Vaarbewijs mag je een pleziervaartuig tot (net geen) 25 meter varen; vanaf 25 meter heb je het Groot Vaarbewijs nodig.
Vanaf welke leeftijd mag je varen?
Dit zijn de regels van het BPR (de meeste binnenwateren). Op de Rijn en de Rijntakken geldt het RPR, met deels afwijkende leeftijds- en vaarbewijsregels.
Klein schip of groot schip?
Hoofdregel op de lengte: tot 20 meter = klein schip · vanaf 20 meter = groot schip.
Maar lengte is niet het enige. Sommige schepen zijn áltijd een groot schip, ongeacht hun lengte:
- Beroepsvaart (vracht- en bedrijfsschepen)
- Een vissersschip dat aan het vissen is
- Een veerpont — ook al is die maar 3 meter
- Een sleepboot die een groot schip sleept
- Een passagiersschip (mag meer dan 12 passagiers meenemen)
⚠️ Let op: het vaarbewijs zegt niets over de categorie
Een schip van 17 meter is een klein schip (< 20 m), maar omdat het langer is dan 15 meter heb je er wél een vaarbewijs voor nodig.
Een plezierjacht van 24,95 meter is volgens de regels een groot schip (≥ 20 m), maar je mag het tóch met je Klein Vaarbewijs varen. De náám ‘klein’ gaat over je papier, niet over de categorie van het schip.
Bijzondere categorieën
Een klein schip dat sneller kan varen dan 20 km/u. Precies die 20 km/u is ook de snelheid waarboven je een vaarbewijs nodig hebt.
Een groot schip dat sneller kan varen dan 40 km/u. Denk aan een draagvleugelboot of een hovercraft.
Een schip dat meer dan 12 passagiers mág meenemen. Ook onder de 20 meter valt het dan onder ‘groot schip’ — en het voert overdag een gele ruit.