Vaarregels & verlichting
Navigatieverlichting herkennen en de belangrijkste uitwijkregels.
Navigatieverlichting
Toplicht (wit) + boordlichten (rood/groen) + heklicht (wit).
Boordlichten + heklicht, maar GEEN toplicht.
Rondom rood bóven rondom wit. Vaart het schip, dan ook boordlichten + heklicht. Niet-trekkende visserij (netten uitzetten).
Rondom gróén bóven rondom wit — het enige verschil met andere visserij (rood boven wit). Varend ook boordlichten + heklicht.
Eén rondom schijnend wit licht.
Rood = bakboord (links), groen = stuurboord (rechts).
Rondom schijnend groen licht met daaronder rondom schijnend wit. Bv. kabelpont of gierpont — verder geen lichten.
Zelfde groen-boven-wit, plus boordlichten en heklicht — maar GEEN wit toplicht.
Lichthoeken (sectoren)
Elk licht schijnt over een vaste hoek. Samen vormen ze een volledige cirkel van 360°.
Belangrijke regels
- Een toplicht is NIET rondom schijnend (225°). Een rondom schijnend licht beslaat 360°.
- Het toplicht staat altijd bóven de boordlichten — nooit eronder.
- Schepen tot 20 meter mogen de lichten combineren in één lantaarn; toplicht en heklicht mogen samen als één rondom schijnend wit licht.
- Een zeilschip voert NOOIT een toplicht: alleen boordlichten + heklicht. Een klein zeilschip (< 20 m) mag in plaats daarvan een driekleurenlantaarn in de top voeren (boordlichten + heklicht gecombineerd).
- Vaart een zeilschip 's nachts op de motor, dan telt het als motorschip: toplicht aan. Overdag voert het dan een kegel met de punt naar beneden.
- Een vissersschip voert twee rondom schijnende lichten boven elkaar: sleepnetvisserij = GROEN boven wit, andere visserij = ROOD boven wit. Vaart het schip, dan komen daar de gewone boordlichten + heklicht bij. Ligt het stil om de netten uit te zetten, dan voert het ALLEEN die twee lichten (geen boord-/heklicht). Bij het binnenhalen van de vangst mag het felle dekverlichting voeren.
- Een veerpont voert altijd een rondom schijnend groen licht met daaronder een rondom schijnend wit licht. Een niet-vrijvarende veerpont (kabel- of gierpont) heeft alléén dat; een vrijvarende veerpont voert daarnaast boordlichten + heklicht, maar GEEN toplicht.
- Onthoud voor het examen: een veerpont in bedrijf heeft voorrang op álle andere schepen — niet alleen op kleine, maar ook op grote schepen. (In de praktijk wacht de pont vaak voor grote schepen.)
Lichtenverkenner: draai rond het schip
Kies een scheepstype en sleep de waarnemer rond de boot. Zie live welke lichten zichtbaar worden — zo koppel je de lichthoeken (112,5° · 135° · 225°) aan wat je 's nachts écht ziet.
Toplicht (225°) + boordlichten (elk 112,5°) + heklicht (135°). Voorbij dwars verdwijnt het boordlicht; van achter zie je alleen wit heklicht.
Drijvende werktuigen
Een drijvend werktuig (baggermolen, heistelling, …) markeert per zijde of je er voorbij mag: groen = vrij, rood = niet vrij. Zijn beide zijden vrij, dan toont het aan beide kanten groen.
Twee groene ruiten (overdag) of twee groene rondom schijnende lichten ('s nachts). Hier mág je voorbijvaren.
Een rode bol (overdag) of een rood rondom schijnend licht ('s nachts). Hier mag je NIET voorbijvaren.
Flikkerlichten
Een flikkerlicht trekt extra de aandacht. De kleur zegt wie het is.
Politie, brandweer en toezichthoudende ambtenaren (hulpverlening / dringende dienst).
Een schip dat werkzaamheden verricht.
Uitwijkregels
Twee motorboten recht tegemoet: beide wijken naar stuurboord en passeren bakboord-op-bakboord.
Het schip dat de ander aan stuurboord heeft, wijkt. Hier wijkt de blauwe boot.
De oploper (blauw) wijkt en houdt ruim afstand; het opgelopen schip houdt koers.
Een klein schip mag een groot schip niet hinderen en wijkt ruim uit.